Bij het uitvoeren van Setup kunt u gebruik maken van opdrachtregelopties om enkele parameters te wijzigen die door Setup worden gebruikt bij de installatie van de toepassing, zoals de weergave-instellingen en de standaardwaarden voor Setup-eigenschappen.
Eigenschappen worden door Setup en Windows Installer gebruikt om het installatieproces van toepassingen te sturen. De standaardwaarden voor Setup-eigenschappen zijn gedefinieerd in het Windows Installer-pakket (MSI-bestand). U kunt nieuwe eigenschapswaarden opgeven via de opdrachtregel of in het instellingenbestand voor Setup (Setup.ini).
Opmerking In de meeste gevallen worden dubbele aanpassingen in het instellingenbestand voor Setup (Setup.ini) of in een transformatiebestand (MST-bestand) overschreven door opdrachtregelopties. Opdrachtregelopties en eigenschappen worden niet door alle MSI-bestanden ondersteund.
Hiermee maakt u een beheerdersinstallatiepunt voor het opgegeven pakket (MSI-bestand). Het pakket moet in dezelfde map staan als Setup.exe en beide bestanden moeten in de hoofdmap van het beheerdersinstallatiepunt staan.
Voorbeelden:
/a Mijn.msi
/a "submap1\Mijn.msi"
Hiermee forceert u dat een toepassing wordt hersteld die is gekoppeld aan het opgegeven pakket (MSI-bestand). Het pakket moet in dezelfde map staan als Setup.exe en beide bestanden moeten in de hoofdmap van het beheerdersinstallatiepunt staan. U kunt ook de productcode voor het product opgeven. De productcode kan worden gekopieerd uit de sectie [Product] van het instellingenbestand voor Setup.
Opmerking U moet hetzelfde pakket opgeven dat oorspronkelijk is gebruikt om het product te installeren.
Geldige waarden voor opties:
| a | Alle bestanden opnieuw installeren ongeacht checksum of versie. |
| c | Ontbrekende of beschadigde bestanden opnieuw installeren. |
| d | Ontbrekende bestanden of bestanden waarvan een andere versie aanwezig is, opnieuw installeren. |
| e | Ontbrekende bestanden of bestanden waarvan een gelijke of oudere versie aanwezig is, opnieuw installeren. |
| m | Alle vereiste registervermeldingen in HKEY_LOCAL_MACHINE opnieuw schrijven. |
| o | Ontbrekende bestanden of bestanden waarvan een oudere versie aanwezig is, opnieuw installeren. |
| p | Alleen ontbrekende bestanden opnieuw installeren. |
| s | Alle snelkoppelingen opnieuw installeren en bestaande snelkoppelingen overschrijven. |
| u | Alle vereiste registervermeldingen in HKEY_CURRENT_USER opnieuw schrijven. |
| v | Het pakket ophalen van de oorspronkelijke bron en opnieuw in de cache van de lokale computer plaatsen. |
De opdracht Analyse en herstel in een toepassing voert dezelfde functie uit als /focums. Wanneer u Setup uitvoert en kiest voor Opnieuw installeren, wordt dezelfde functie uitgevoerd als wanneer u de optie /fecums gebruikt. Tijdens de installatie wordt het MSI-bestand opgeslagen op de lokale computer. Wanneer u de optie /fvm gebruikt om het pakket opnieuw in de cache te plaatsen en opnieuw te installeren, wordt het MSI-bestand opgehaald van de oorspronkelijke bron en wordt het in de cache geplaatst van de lokale computer. U kunt de optie /fvm gebruiken om clientcomputers bij te werken wanneer u een patch toepast op een beheerdersinstallatiepunt.
Belangrijk Wanneer een gebruiker een (binaire) clientpatch uitvoert op een computer, kunt u de optie /f niet gebruiken om een pakket opnieuw in de cache te plaatsen en opnieuw te installeren op die computer vanaf een beheerdersinstallatiepunt. In dat geval moeten gebruikers de toepassing verwijderen en opnieuw installeren vanaf de bijgewerkte systeemkopie van de beheerdersinstallatie.
Voorbeeld:
/fpiwae Mijn.msi
/fvm {12345678-1234-1234-1234-123456789123}
Hiermee worden toepassingen geïnstalleerd met het opgegeven pakket. Het pakket moet in dezelfde map staan als Setup.exe.
Opmerking Standaard zorgt Setup.exe ervoor dat dezelfde functie wordt uitgevoerd als wanneer u de optie /i gebruikt.
Voorbeelden:
/i Mijn.msi
/i "submap1\Mijn.msi"
Hiermee wordt de toepassing geadverteerd op de computer en bij het eerste gebruik geïnstalleerd. U moet een optie opgeven om de toepassing te adverteren naar de computer of de gebruiker. U kunt de optie /j alleen gebruiken wanneer u Setup uitvoert vanaf een beheerdersinstallatiepunt of vanaf een installatiekopie van de cd-rom op het netwerk. Als u geen pakket opgeeft, wordt het pakket gebruikt dat is opgegeven in Setup.ini. Als u een transformatie wilt toepassen op de geadverteerde toepassing, moet u de optie /t gebruiken en een MST-bestand opgeven.
Geldige waarden voor de optie:
| m | Adverteren naar alle gebruikers op de computer. |
| u | Adverteren naar de huidige gebruiker. |
Opmerking Behalve de optie /t kunt u ook de volgende drie opdrachtregelopties gebruiken wanneer u de optie /j gebruikt om de toepassing te adverteren: /l, /q en /settings.
Voorbeeld:
/jm Mijn.msi /t Aangepast.mst
Hiermee wordt een logboek gemaakt van de installatieacties voor Setup en een logboekbestand voor elke taak van Windows Installer. Met de optie /l worden de standaardinstellingen genegeerd die zijn opgegeven in de sectie [Logging] van Setup.ini.
Mogelijke waarden voor deze optie en de gegevens die ermee worden vastgelegd:
| a | Begin van meldingen voor acties |
| c | Beginparameters voor de gebruikersinterface |
| e | Foutberichten |
| i | Berichten met alleen informatie |
| m | Berichten voor onvoldoende geheugen |
| o | Berichten voor onvoldoende schijfruimte |
| p | Eigenschappentabel in formuliereigenschap=waarde |
| r | Opgenomen actiegegevens. Hierin wordt specifieke informatie voor de actie opgenomen |
| u | Berichten voor gebruikersverzoeken |
| v | Uitgebreid. Hierin worden ook foutopsporingsberichten opgenomen |
| w | Waarschuwingsberichten |
| * | Alle logboekopties inschakelen behalve v |
| + | Toevoegen aan bestaand logboekbestand |
Met logboekbestand geeft u de naam en het pad van het logboekbestand op dat u wilt maken. Wanneer u (*) opneemt in de naam van het logboekbestand, wordt er door Setup een unieke bestandsnaam gemaakt voor elk exemplaar van Setup.
Voorbeeld:
/lv* "%temp%\MijnToepassing Setup(*).txt"
Met deze opdrachtregel worden de volgende logboekbestanden gemaakt:
Hiermee wordt de computer niet opnieuw opgestart en wordt hiervoor geen dialoogvenster weergegeven aan het einde van de installatie. Met de optie /noreboot wordt de eigenschap REBOOT van Windows Installer ingesteld op ReallySuppress voor elk pakket dat is opgenomen in de installatie, behalve het laatste.
Hiermee wordt een beheerdersupdate (MSP-bestand) toegepast op een clientinstallatie. U kunt ook de optie /p gebruiken om een update toe te passen op een beheerdersinstallatie door de optie /a op te nemen, gevolgd door de naam en het pad van het MSI-bestand op het beheerdersinstallatiepunt. Als u de patch stil wilt toepassen, neemt u de optie /qb op in de opdrachtregel. Als u een logboekbestand wilt genereren, neemt u de optie /l op.
Voorbeelden:
msiexec /p [msp-bestand] /qb /l[opties]
msiexec /p [msp-bestand] /a [msi-bestand] /qb /l[opties]
Hiermee wordt het weergaveniveau van de gebruikersinterface van Setup ingesteld.
Geldige waarden voor de optie:
| b | Alleen eenvoudige voortgangsindicatoren en foutberichten weergeven (basic). |
| f | Alle dialoogvenster en berichten weergeven. Dit geeft hetzelfde effect als wanneer u de optie /q overslaat (full). |
| n | Geen gebruikersinterface weergeven. Dit geeft hetzelfde effect als wanneer u de optie /q zonder opties gebruikt (none). |
| r | Alle voortgangindicatoren en foutberichten weergeven maar geen gebruikersgegevens verzamelen (reduced). |
| - | Alle modale dialoogvensters onderdrukken. Kan alleen worden gebruikt met de optie b. |
| + | Voltooiingsbericht toevoegen aan de optie n of b. |
Opmerking Het voltooiingsbericht wordt alleen weergegeven wanneer de computer na de installatie niet opnieuw hoeft te worden opgestart.
Hiermee geeft u een aangepast instellingbestand voor Setup op dat moet worden gebruikt in plaats van Setup.ini. Het instellingenbestand moet in dezelfde map staan als Setup.exe of het pad moet worden opgenomen in de opdrachtregel.
Voorbeeld:
/settings MijnToepassing.ini
Hiermee wordt de toepassing verwijderd die is gekoppeld aan het opgegeven pakket. Het pakket moet in dezelfde map staan als Setup.exe en beide moeten in de hoofdmap staan van het beheerdersinstallatiepunt.
Opmerking U moet hetzelfde pakket opgeven dat is gebruikt om de toepassing oorspronkelijk te installeren.
Voorbeeld:
/x Mijn.msi
Hiermee geeft u een eigenschapswaarde op in de opdrachtregel. Als er spaties voorkomen in de waarde, moet u deze tussen dubbele aanhalingstekens (") plaatsen. Als u twee of meer combinaties van een eigenschap en een waarde wilt opgeven, moet u deze scheiden door spaties.
| ALLUSERS=[string] |
Hiermee installeert u de toepassing voor alle gebruikers van de computer of alleen voor de huidige gebruiker. Standaard wordt een toepassing voor alle gebruikers geïnstalleerd. Wanneer u een lege waarde ("") opgeeft bij ALLUSERS, wordt het standaardgedrag genegeerd en wordt de toepassing voor slechts een gebruiker geïnstalleerd. 1 = Voor alle gebruikers van de computer installeren. Hiervoor zijn beheerdersrechten vereist. 2 = Voor alle gebruikers van de computer installeren. "" = Alleen installeren voor de gebruiker die Setup uitvoert. ALLUSER="" |
|
CDCACHE=[string] |
Hiermee geeft u het cacheniveau op. Auto = cache is gebaseerd op de beschikbare schijfruimte 1 = alleen hetgeen u installeert, wordt opgenomen in de cache 2 = gehele bron in de cache plaatsen 0 = cache is uitgeschakeld CDCACHE=auto |
|
COMPANYNAME=[string] |
Hiermee geeft u de naam van de organisatie op. COMPANYNAME=Mijn bedrijf |
|
INSTALLLOCATION=[string] |
Hiermee geeft u de installatielocatie op. INSTALLLOCATION=C:\Program Files\MijnToepassing |
|
LOCALCACHEDRIVE=[string] |
Hiermee geeft u de schijf op waarop de cache voor de installatiebestanden wordt geplaatst. LOCALCACHEDRIVE=C |
|
PIDKEY=[string] |
Hiermee kunt u de code van 25 tekens voor een volumelicentie opgeven in de opdrachtregel of in het instellingenbestand voor Setup. Wanneer u de eigenschap PIDKEY instelt, hoeven gebruikers geen productcode op te geven tijdens de installatie. PIDKEY=123467890123456789012345 |
|
TRANSFORMS=[string] |
Hiermee geeft u een transformatie op die moet worden toegepast op de installatie. TRANSFORMS=\\server\share\MijnToepassing\Aangepast.mst |
|
USERNAME=[string] |
Hiermee geeft u een standaardgebruikersnaam op. USERNAME=Jan Jansen |